Project Description

GEBOUWEN & OBJECTEN-3.0134

„Wapen van Kampen” uit de Overijsselsche Almanak voor Oudheid en Letteren 1845, jaargang 10, uitgegeven door J. de Lange – Deventer, afbeeldingen op bladzijde 64 behorende bij het artikel over het wapen van Kampen.

Wanneer wij de Overijsselsche Geschiedenis nagaan, in verband met hetgeen ons in den Overijss. Alm. van 1838 fol. 194 wordt medegedeeld, zien wij, dat de handel en scheepvaart op Vlaanderen in de laatste helft der 13e eeuw niet onbelangrijk geweest is, waarbij echter vooral de vermaarde Haven van Swin bij Sluijs in Vlaanderen en ook Brugge genoemd worden en wij tevens opgegeven vinden dat de haring op de kosten van Noorwegen gevangen, en door Kamper schepen van daar gehaald, nevens andere Noordsche en Duitsche voortbrengselen als hout, ijzer, rogge, bier, wijn en zout in Vlaanderen verhandeld werden tegen goederen aldaar ter markt komende, waaronder voornamelijk Engelsche wol, welke toen hier te lande tot de weverij gebruikt werd. Vergelijken wij hiermede de Geschiedenis van Vlaanderen, dan ontdekken wij dat de stad Iperen in de 13e en 14e eeuw door de lakenfabrijken zoo hoog in bloei was gestegen, dat men er binnen de stad en voorsteden wel 200,000! inwoners telde, en dat deze welvaart de ingezetenen tot buitensporigheden verleid de, zoodat zij, uit handelsnijd, de weverijen hunner westelijke naburen vernielden , waarbij nog in 1324 een opstand plaats greep tegen den (Graaf van Vlaanderen, die hen echter onderwierp; ten gevolge van welke onderwerping vele der muitende arbeidslieden het land verlieten en zich in Kampen vestigden. — Deze verhuizing was misschien oorzaak dat omstreeks het jaar 1332 te Kampen de lakenfabrijken en weverijen zoodanig bloeiden dat de geschiedschrijvers er van zeggen dat de Kamper kooplieden in dezen tijd grooten handel dreven in rood scharlaken, gestreept laken en saai, aldaar geweven en bereid.” Voorts nog dat in 1380—1385 de steden in Vlaanderen tegen hunnen heer Graaf Lodewijk van Vlaanderen oorlog voerden en geen’ vrede zochten alvorens Hertog Filip van Bourgondiën Graaf van Vlaanderen werd. Bovendien dient hier vooral gemeld te worden, hetgeen ons omtrent de stad Watene en derzelver Heerlijkheid, gelegen aan de uiterste grenzen van Westvlaanderen wordt medegedeeld; namelijk, Johannes Jacobus Chifletius betoogt heel geleerdclyk en welsprekentlyk, voor in syn Icciumsche haven van Julius Caesar, dat Watene een Zee-bergh voor de haven van Iccium heeft geweest Hy seght dan Tusschen de beyde havens stont de Zee-bergh Iccium aen dese ondiepe zee, die, naar Prolmaeus verhaal, Iccium Acron genoemt wiert, gelegen tegen over Kent een Zee-bergh van Engelant Ick acht dat dit de selve bergh is geweest die sy misschien Vatenum genoemt hebben, omdat sy over de Itiaensche deur-wadingen hing. Men gelooft dat hier eertijds één Vuurbaken heeft gestaen recht tegenover een ander die op de bergh Duberen geset was, van dewelcke men noch eenige weynige puynhoopen siet. De zee omringde eertyds, als sy op haer hoogste vloeyde, van alle syden de bergh Vatenum, van deweick men by klaer en helder weder Engelant gemakkelyck kan sien. D’inwoonders seggen , dat dit een voortgeplante stad der Batavieren is.

Dese bergh, van dewelck ick sprceck, „ legt op d’uyterste grenzen van Cassel, ter plaetse, die naer Corum streckt: hy heeft een hooge top en de riviere de Aa bespoelt de voet daer af. Het klooster op dese bergh staende erkent voor haer Stichter „ Robert de Vries graaf van Vlaanderen , die in ’t jaar 1072 de kerk vergrootte en tot een klooster maekte.

De Heerlijckheit  van dese plaets heeft sedert tweehondert jaren in ’t geslacht van Eeckhoute geweest. (Stedeboek van Johan Blaeu 2e deel blad bij E e 3)

De plaat bij deze beschrijving voorhanden is voorzien van het Wapen der Heerlijkheid, behoorende aan de Graven van Vlaanderen bestaande in een schild dwars door midden gedeeld, het bovenste van zilver en het onderste van lazuur. Aan Wapenschilden waren vaak de schoonste herinneringen verbonden het waren menigwerf de vertegenwoordigers van lange geschiedenissen van moed en trouw van roem en eer. Zulk een schild was de prikkel eener eerzucht edel en groot, gelijk in die eeuwen alles reusachtig was. Die ridderlijke eerzucht was de drijfveer tot de ongelofelijke dapperheid dier tijden. Ook de Vorstelijke, gewestelijke en stedelijke wapens waren schoon van eenen anderen kant almede van groot belang.

Dit een en ander geeft aanleiding (daar de geschiedenis ons onwetend laat) omtrent de stad Kampen de vraag op te werpen: bij welke gelegenheid en wanneer deze stad het grafelijke wapen der heerlijkheid Watene in  Westvlaanderen, verkregen en aangenomen heeft ?

Dat de stad Kampen, tijdens de 13e of wel 14e eeuw, ter gelegenheid van deze of gene gebeurtenis, het zij van geschiedkundig belang of anderzins, die men aan de vergetelheid wilde onttrekken, dit Wapenschild heeft aangenomen, is niet te ontkennen. Doch er bestaat onzekerheid, omtrent de gebeurtenissen en de bewezene diensten ter gedachtenis waarvan dit wapen door de Graven van Vlaanderen aan de Stad Kampen vergund werd, waardoor een veld voor gissingen open blijft.

Op grond echter der Geschiedenis en der naauwe en veelvuldige handelsbetrekkingen, waarin Kampen in die eeuwen tot Vlaanderen stond, zoude ik vermoeden: dat dit wapen door de Graven van Vlaanderen zal zijn geschonken, wegens bewezene menigvuldige diensten en de gastvrije opname der Vlaamsche vlugtelingen in die dagen.

De gewoonte bij hooge geestelijke personen bijv. de bisschoppen om het Stichts wapen bij het familiewapen aan te nemen, komt het eerst omtrent het midden der 14e eeuw voor (zie het wapen van den 45ste bisschop Johan van Diest A° 1322-1340, bestaande in een schild, beladen met het Utr. Stichtswapen, zijnde een zilveren kruis op een rood veld op welk kruis is gehecht het familiewapen van Van Diest. Ook raadplege men de wapens van de overige bisschoppen als dat van Zweder van Kuijlenburg  52e bisschop, waarin het Stichtswapen regts en het wapen van Kuijlenburg ter linkerzijde naast elkander geplaatst is.

Dit gebruik is vervolgens ook hier en daar door eenige steden aangenomen en beide der hier boven opgegevene gevallen hebben plaats gehad met het Wapen der stad Kampen.

Beide Wapenschilden worden aldaar zorgvuldig voor het nageslacht bewaard en prijken in het openbaar aan de beide hoofdtoegangen tot de Stad over den IJssel als aan de lange IJsselbrug en aan de Koornmarktspoort omtrent welken laatstgenoemden toegang tot de Stad, wij op fol. 117 der Kamper Kronijk het volgende gemeld vinden.

De overvaart van den IJssel kreeg in ook eene verbeterde inrigting. Daar er geene brug over de rivier lag, geschiedde de overtogt met eene schuit of pont, het Veerschip genaamd, en dewijl de IJsseldijk vóór de bedijking van Mastenbroek doorgaans in slechten staat was, schijnt er een Veer geweest te zijn bij Uiterwijk van waar de weg naar Zwolle welligt bruikbaarder was. In 1333 althans besloot de Raad eenen weg te maken dien men met een paard rijden kon van Uiterwijker-berg tot aan het Veerstal tegen over de Korenmarkt (de Koornmarktspoort schijnt dus in dat jaar nog niet aanwezig geweest te zijn). Deze Wapens bestaan in twee afzonderlijke schilden ieder schild gehouden door een’ zittenden Leeuw, waarvan het Regter Schild is dwars doormidden gedeeld het bovenste van zilver en het onderste van lazuur (blaauw).

Het Linker, zijnde het Wapen der Stad Kampen, zoo als die Stad bij besluit van den 24 November 1819 door den Hoogen Raad van Adel in het bezit van hetzelve is bevestigd geworden luidende het brevet aldus: Zijnde een schild van lazuur, beladen met een Burg, voorzien van drie torens (ten teeken dat die stad vroeger tot het Hanzeeverbond behoorde) door eenen ringmuur vereenigd en met eene opene poort, alles van zilver, onder aan de poort is liggende een Schildje dwars door midden gedeeld het bovenste van zilver en het onderste van lazuur &c. (zijnde dit het wapen der Graven van WestVlaanderen van de heerlijkheid Watenum en dus hier in het Stadswapen ook opgenomen’ (*1).

Ik heb deze mijne pissingen niet de afteekening der Wapenschilden hier medegedeeld, in de hoop, dat deskundigen ten opzigte van den oorsprong van het bedoelde Kamper wapen iets naauwkeurigers en meer voldoende zouden willen leveren.
G.H.W.

(*1) Kampen is in hel jaar 1495 onder de Keizerlijke Rijkssteden aangenomen, begiftigd met ‘a Rijks voorregten en meer andere, waarbij aan hen vergund werd om het Wapenschild te dekken met eene gouden Keizerlijke Kroon.

Afmeting:

Blad 15,7 x 10 cm.

Herkomst:

Bron Google Books